Tagarchief: stadsnatuur

Niet maaien maar grazen!

Op de voorpagina van de Volkskrant van 5 juni j.l. stond een prachtige foto van een kudde grazende schapen op het Marconiplein in Rotterdam. Vanaf eind mei worden groenstroken in de wijk Spangen begraasd door 248 schapen. Rotterdam is niet de enige stad in Nederland waar, in plaats van grasmaaimachines, schaapskuddes worden ingezet voor groenbeheer. Ook in Groningen, Maastricht, Amersfoort grazen stadsschapen. Ik heb gevraagd aan het college van B&W of we in Leiden ook een schaapskudde kunnen krijgen.

Stadsschapen in Spangen

Stadsschapen in Spangen

Een schaapskudde heeft grote voordelen boven machinaal maaien. Schapen maken niet zoveel lawaai, gebruiken geen fossiele brandstoffen, grazen keurig om bomen heen en eten snelgroeiende grassen en veelvoorkomend onkruid weg, waardoor waardevolle plantensoorten weer kunnen groeien. Zo ontstaat een gevarieerde vegetatie, wat weer goed is voor bijen, vlinders en stadsvogelsoorten. Kortom, schapen zijn een aanwinst voor de stadsnatuur. 

Nu al lopen er soms schapen in Polderpark Cronesteyn. Ik heb ze ook wel eens gezien in de berm van de Dr Lelylaan. Maar er is veel meer te grazen in Leiden. Niet alleen in de bermen van de stad, maar ook in de stadsparken en in de wijken zoals Zuidwest, de Mors en de Merenwijk. Ik reed vandaag in mijn taxi door de stad en zag genoeg pas gemaaide plekken waar ook gegraasd had kunnen worden

foto:Leidsch Dagblad

foto:Leidsch Dagblad

Ecologisch groenbeheer is niet het enige voordeel van stadsschapen. Een schaapskudde in de stad is natuurlijk ook heel aantrekkelijk  om te zien. Kinderen kunnen bij de herder langs komen, die hen alles kan vertellen over zijn dieren en de stadsnatuur. En van een grazende kudde langs de Zoeterwoudse Singel wordt toch iedereen vrolijk? Lang genoeg heeft de stad bezit genomen van de natuur en zijn hele polders volgebouwd met Vinexwijken. Nu deze stadsuitbreiding ten einde is en de aandacht gelukkig meer uitgaat naar stedelijke verdichting is het niet alleen mooi maar zelfs noodzakelijk dat de natuur de stad in komt.

Het zou kunnen dat een schaapskudde misschien iets duurder is  dan machinaal maaien. Maar als je niet alleen kijkt naar wat iets kost maar ook naar wat iets opbrengt dan denk ik dat het schaap het wint van de grasmaaier. Stadsnatuur is heel veel waard en een glimlach is onbetaalbaar 🙂

Schapen in Spangen op weg naar een plek om te grazen
[foto: 010web Rotterdam vroeger en nu]

Hier de schriftelijke vragen aan het college.
Hier een interview met mij over stadsschapen op SleutelstadFM
Bijdrage door Walter van Peijpe
Advertenties

Hersenmoe? Op naar het park!

Er is al enige tijd bewijs voor het feit dat het vermogen van ons brein om kalm en geconcentreerd te blijven beperkt is. Het lawaai en de hectiek van de stad kunnen zelfs leiden tot een soort van hersenvermoeidheid. In deze staat van zijn wordt men snel afgeleid, vergeetachtig en vluchtig. Niet echt prettig dus. Gelukkig laat nieuw onderzoek uit Schotland nu zien dat deze hersenvermoeidheid makkelijk opgelost kan worden door het maken van een wandeling in het park.

parkgras

Volgens de Schotse studie is het aan te raden om tijdens het werk af en toe een pauze te nemen en een klein wandelingetje te maken in een groene omgeving. Zelfs het bekijken van groen vanuit een gebouw zou al een positief effect hebben op onze mentale gesteldheid. Met andere woorden: groen helpt ons effectief te herstellen van vermoeidheid en stress, en maakt ons kalmer en geconcentreerder.

In Leiden hebben we gelukkig al veel mogelijkheden om in het park te wandelen en lekker tot rust te komen. Bovenstaand onderzoek laat echter zien dat je van groen eigenlijk nooit genoeg kunt hebben. Ontwikkelingen zoals het Singelpark, de Kweektuin Singelpark en de samenstelling van het Leidse bomenboek zijn dus niet alleen ‘leuk’, maar dragen ook sterk bij aan onze gezondheid, ons geluk en welbevinden. En daar gaat het natuurlijk om…

Meer weten? Lees het artikel ‘Easing Brain Fatigue with a Walk in the Park’ in The New York Times.

Bijdrage van Simone Pekelsma (@simonepekelsma)